De geschiedenis van de zorgverzekering

In 1874 vroegen Amsterdamse timmerlieden om de contributie die ze betaalden aan het Algemeen Ziekenfonds Amsterdam aan te wenden voor de bouw van sociale arbeiderswoningen. De dokters die dit AZA runden, weigerden echter. De timmerlui moesten zich bezighouden met hun werk en niet met ‘dagdieverij’, aldus de beheerders van het ziekenfonds.

Deze weigering was voor de verontwaardigde timmerlieden aanleiding om een eigen ziekenfonds op te richten: het Algemeen Onderling Ziekenfonds Door en Voor Werklieden. Indirect was dit de aanzet tot de oprichting van meerdere ziekenfondsen. De arbeiders in Nederland namen daarmee het heft in eigen handen en waren niet langer afhankelijk van artsen die zich vaak verheven voelden boven de werkende klasse. Ook de minder bedeelden kregen hun ziekenfondsverzekering.

Overigens dateren ziekenfondsen in Nederland al van eerdere data. In de achttiende eeuw hadden de ambachtsgilden hun zogeheten ziekenkassen. Of de gildebussen, zoals ze ook wel werden genoemd. Rond 1780 zijn er vervolgens enkele verzekeringsmaatschappijen en particulieren die de eerste echte ziekenfondsen oprichtten. Doelgroep is dat deel van de bevolking dat zo weinig verdient, dat ze onder de belastinggrens valt en derhalve bij ziekte is aangewezen op de barmhartigheid van kerkelijke of stedelijke armenfondsen.

Belangen

Zo rond 1900 begint de Nederlandse overheid zich ook te bemoeien met de ziekenfondsen. Misschien wel om verdere wildgroei te voorkomen. Het kabinet-Kuyper introduceert een algemeen ziekenfonds, maar vanwege de vele, tegenstrijdige belangen wordt het niet ingevoerd. Als reactie hierop besluit de Nederlandse Maatschappij voor Geneeskunde een eigen fonds in het leven te roepen. Met eigen zorgpakketten, contracten en regelingen, die ook de minderbedeelden van basiszorg voorzien.

Cru genoeg zijn het de Duitsers, die tussen 1940 en 1945 Nederland bezetten, die ons land een verplicht ziekenfonds opleggen. Niet onbelangrijk, want aan het begin van de Tweede Wereldoorlog was slechts zo’n 75 procent van de Nederlandse bevolking verzekerd. Vanaf 1941 geldt in Nederland het ziekenfondsenbesluit. Alle werknemers die onder de ziekenfondsgrens zitten, zijn daarmee verplicht lid. Het duurt vervolgens tot 2006 voordat het verplichte ziekenfonds definitief verdwijnt. Ook al heeft diverse malen ter discussie gestaan.

In de jaren na de oorlog breiden de zorgpakketten steeds verder uit. De pakweg tweehonderd kleine ziekenfondsen verdwijnen of fuseren tot enkele tientallen aan het begin van deze eeuw. Overigens zijn er door de jaren heen allerlei initiatieven geweest om een basisverzekering voor alle Nederlanders te realiseren. De eerste was staatssecretaris Hendriks van Volksgezondheid, die begin jaren zeventig een volksverzekering tegen ziektekosten voor de hele Nederlandse bevolking introduceerde.

Bereidheid

Tijdens de regeerperiode van het tweede kabinet Lubbers was er de commissie Dekker, die in 1987 een rapport presenteert over de structuur en financiering van de gezondheidszorg. Onder de noemer ‘Bereidheid tot verandering’ doet de commissie Dekker een voorstel voor een basisverzekering waarin 85 procent van de bestaande voorzieningen worden ondergebracht. Staatssecretaris Simons borduurt door op deze voorstellen en komt in 1989 met de nota ‘Werken aan zorgvernieuwing’. De plannen zijn ambitieus en hoopgevend, maar begin jaren negentig mislukt ook deze poging om een basisverzekering in het leven te roepen.

Het duurt tot 2001, voordat minister Borst opnieuw met een plan voor een basisverzekering komt. Haar nota ‘Vraag aan bod’ dient vervolgens weer als basis voor het wetsvoorstel Zorgverzekeringswet, die in 2004 door minister Hoogervorst in de Tweede Kamer wordt gepresenteerd. Sinds 1 januari 2006 is de nieuwe wet van kracht.